deugd

Uit WikiWoordenboek
Ga naar: navigatie, zoeken

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • deugd
Woordherkomst en -opbouw
enkelvoud meervoud
naamwoord deugd deugden
verkleinwoord - -

Zelfstandig naamwoord

deugd v/m

  1. iets dat goed is in zedelijk opzicht
    Het is een grote deugd dat hij zo behulpzaam is.
Hyponiemen
Afgeleide begrippen
Uitdrukkingen en gezegden
  • Van de nood een deugd maken
Van iets slechts iets goed maken
  • het doet met deugd
ik word er blij van
Vertalingen

Meer informatie

Verwijzingen
  1. etymologiebank.nl