Naar inhoud springen

deugd

Uit WikiWoordenboek
  • deugd
enkelvoud meervoud
naamwoord deugd deugden
verkleinwoord deugdje deugdjes

dedeugdv/m

  1. iets dat goed is in zedelijk opzicht
     In tegendeel: zij vormt de meest voortreffelijke deugd juist omdat zij geen gefixeerde deugd is.[4]
     Hij stelt dat de mens de deugd dient te ontwikkelen binnen het netwerk van zijn relaties, dat hiërarchisch is geordend.[4]
    • Het is een grote deugd dat hij zo behulpzaam is. 
     De deugden en eigenschappen van deze tweede Nicolaas heeft men echter overgedragen op de eerste en die werd toen de heilige Nicolaas.[5]
Van iets slechts iets goed maken
98 %van de Nederlanders;
100 %van de Vlamingen.[6]