deugden
Uiterlijk
- deug·den
de deugden mv
- meervoud van het zelfstandig naamwoord deugd
| vervoeging van |
|---|
| deugen |
deugden
- meervoud verleden tijd van deugen
- Wij deugden.
- Jullie deugden.
- Zij deugden.
- Wij deugden.
- Het woord deugden staat in de Woordenlijst Nederlandse Taal van de Nederlandse Taalunie.
- ↑ Daan Bronkhorst“Kierkegaard” (2020), Athenaeum - Polak & Van Gennep
, ISBN 9789025313562 - ↑ Paul van Tongeren“Nietzsche” (2020), Amsterdam University Press
, ISBN 9789048529407