deugdelijk

Uit WikiWoordenboek
Ga naar: navigatie, zoeken

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • deug·de·lijk
Woordherkomst en -opbouw
  • Afgeleid van deugd met het achtervoegsel -lijk met het invoegsel -e-
stellend vergrotend overtreffend
onverbogen deugdelijk deugdelijker deugdelijkst
verbogen deugdelijke deugdelijkere deugdelijkste
partitief deugdelijks deugdelijkers -

Bijvoeglijk naamwoord

deugdelijk

  1. degelijk.
    Zij is een deugdelijke vrouw.
  2. niet voor twijfel vatbaar
    Ik vind dat wel een deugdelijke reden.
  3. aan alle eisen voldoen
    Dat is wel een deugdelijke uitvoering van de geplande werken.

Bijwoord

deugdelijk

  1. zeker, in hoge mate
    Dat is deugdelijk merkbaar.