destructor

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

1. Mannen aan het werk bij een destructor.
Uitspraak
Woordafbreking
  • des·truc·tor
Woordherkomst en -opbouw
enkelvoud meervoud
naamwoord destructor destructors
verkleinwoord - -

Zelfstandig naamwoord

destructor m

  1. (veeteelt) installatie die kadavers verbrandt of er diermeel en vet uit maakt
     Kuikens met open buikjes, lamme pootjes of van onvoldragen groei verdwijnen, samen met de eierschalen, tussen de scherpe messen van de destructor.[2]
  2. (informatica) in objectgeoriënteerde programmeertalen een laatste reeks instructies die altijd wordt uitgevoerd vlak voordat het object waar zij bijhoort uit het geheugen kan worden verwijderd
     De tegenhanger van de constructor is de destructor die uitgevoerd wordt wanneer het object wordt vernietigd.[3]
Hyponiemen
Antoniemen
Verwante begrippen

Gangbaarheid

Meer informatie

Verwijzingen

  1. Woordenboek der Nederlandsche taal (1864-2001).
  2. Bronlink geraadpleegd op 6 januari 2021 Weblink bron Gerard van Westerloo “De kippenmoord” (2 december 2006) op nrc.nl
  3. Bronlink geraadpleegd op 6 januari 2021 Weblink bron Marco Kurvers Methoden (OOP), HCC, Haarlem in: Nieuwsbrief HCC Basic gebruikersgroep, jrg. 15 nr. 4 (december 2008), p. 9


Spaans

Uitspraak
Woordafbreking
  • des·truc·tor
enkelvoud meervoud
destructor destructores

Zelfstandig naamwoord

destructor m

  1. (scheepvaart) torpedojager, duikbootjager
Synoniemen
  enkelvoud meervoud
mannelijk destructor destructores
vrouwelijk destructora destructoras

Bijvoeglijk naamwoord

destructor

  1. vernietigend, verwoestend, destructief
Synoniemen
Verwante begrippen