dempen

Uit WikiWoordenboek
Ga naar: navigatie, zoeken

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • dem·pen
stamtijd
onbepaalde
wijs
verleden
tijd
voltooid
deelwoord
dempen
dempte
gedempt
zwak -t volledig

Werkwoord

dempen [1]

  1. overgankelijk dichtgooien met grond of ander vast materiaal
    • De werklieden gingen de gracht dempen. 
  2. overgankelijk zwakker maken, verzwakken, temperen
    • De buren wilde graag het geluid dempen. 
    • Schokken (van een auto) of trillingen (van een brug) dempen gebeurt meestal met schokdempers. 
Synoniemen
Verwante begrippen
Antoniemen
Uitdrukkingen en gezegden
  • Als het kalf verdronken is dempt men de put
Pas als het kwaad al gebeurd is pakt men de oorzaak aan.
Vertalingen

Gangbaarheid

100 % van de Nederlanders
100 % van de Vlamingen.

Meer informatie

Verwijzingen