temperen

Uit WikiWoordenboek
Ga naar: navigatie, zoeken

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • tem·pe·ren
stamtijd
onbepaalde
wijs
verleden
tijd
voltooid
deelwoord
temperen
temperde
getemperd
zwak -d volledig

Werkwoord

temperen

  1. overgankelijk minder krachtig maken
    • Hij temperde het vuur door de klep van de schoorsteen wat dichter te doen. 
  2. overgankelijk (techniek) een gestolde massa in een matig heet vuur nagloeien
    • Door het pasgeblazen glas nog wat te temperen worden de inwendige spanningen verminderd. 
  3. overgankelijk overdrachtelijk: minder hevig maken
    • Beide partijen hebben hun uitspraken wat getemperd en er is duidelijk sprake van een politieke toenadering. 
Synoniemen
Antoniemen

Gangbaarheid

98 % van de Nederlanders
97 % van de Vlamingen.

Meer informatie