crawl

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • crawl

Werkwoord

vervoeging van
crawlen

crawl

  1. eerste persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van crawlen
    • Ik crawl. 
  2. gebiedende wijs van crawlen
    • Crawl! 
  3. (bij inversie) tweede persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van crawlen
    • Crawl je? 

Gangbaarheid

86 % van de Nederlanders;
94 % van de Vlamingen.


Engels

Uitspraak
Woordafbreking
  • crawl
Woordherkomst en -opbouw
  • Naamwoord [A] en werkwoord: afkomstig van het Middelengelse werkwoord craulen, dat van het Oudnoorse werkwoord krafla komt.
  • Naamwoord [B]: afkomstig van het Afrikaanse naamwoord kraal.
enkelvoud meervoud
crawl crawls

Zelfstandig naamwoord

[A] crawl

  1. (het) kruipen
  2. sukkelgangetje
  3. lichtkrant
  4. (zwemmen) crawl, crawlslag
Afgeleide begrippen

Zelfstandig naamwoord

[B] crawl

  1. een omheining voor vissen of schildpadden in ondiep water
Verwante begrippen
vervoeging
onbepaalde wijs to crawl
he/she/it crawls
verleden tijd crawled
voltooid
deelwoord
crawled
onvoltooid
deelwoord
crawling
gebiedende wijs crawl

Werkwoord

crawl

  1. onovergankelijk kruipen
  2. onovergankelijk rondkruipen
  3. onovergankelijk wemelen
  4. onovergankelijk, (spreektaal) panlikken, slijmen, vleien
  5. onovergankelijk, (zwemmen) crawlen
Vaste voorzetsels
  • crawl about
  • crawl along
  • crawl around
  • crawl through
  • crawl with
Synoniemen
Hyperoniemen
Afgeleide begrippen


Italiaans

Uitspraak
Woordafbreking
  • crawl
enkelvoud meervoud
crawl crawl

Zelfstandig naamwoord

crawl m

  1. (zwemmen) crawl, crawlslag
  • nuotare a crawl
    crawlen