creep

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • creep
Woordherkomst en -opbouw
  • uit het Engels [1]
enkelvoud meervoud
naamwoord creep creeps
verkleinwoord

Zelfstandig naamwoord

creep m

  1. eng persoon, griezelig wezen
     Ik durf nog steeds niet alleen naar het bos of naar een natuurgebied. Dit helpt niet echt. Ik weet niet wie die creep is. Het maakt me echt een beetje bang.’[2]
     Uitgeholde pompoenen lagen al een paar dagen klaar in het atelier van de midwinterhoornblazers en vuurkorven stonden reeds opgesteld op de trottoirs. Dat oogde allemaal nog niet zo angstaanjagend, maar van de ruim vierhonderd kinderen die gisteravond meededen aan de griezeltocht zullen er toch heel wat behoorlijk blij zijn geweest dat ze hun vader of moeder hadden meegebracht. Die overigens zelf ook af en toe van schrik opzij sprongen als er weer ergens uit het donker onverwachts een creep opdook.[3]
Synoniemen

Gangbaarheid

Meer informatie

Verwijzingen

  1. creep op website: Etymologiebank.nl
  2. Bronlink Weblink bron Kimberly Rallis “Zwolse blogster Cynthia Schultz doet aangifte na dickpic: ‘Dit moeten we niet weglachen’” (04-06-2019), Tubantia
  3. Bronlink Weblink bron Marjolein Rietman “Halloweenspektakel in Eibergen pakt weer groter uit” (26-10-2019), Tubantia