wemelen

Uit WikiWoordenboek
Ga naar: navigatie, zoeken

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • we·me·len
stamtijd
onbepaalde
wijs
verleden
tijd
voltooid
deelwoord
wemelen
wemelde
gewemeld
zwak -d volledig

Werkwoord

wemelen

  1. absoluut door elkaar heen bewegen
    • De kevers wemelden over de mesthoop. 
  2. (onpersoonlijk) ~ van: in grote getale aanwezig zijn
    • Buiten ons zonnestelsel wemelt het waarschijnlijk van de zwerfplaneten. 
  3. overgankelijk boren met een wemel, een omslagboor
    • Er werden een paar gaten gewemeld. 

Gangbaarheid

92 % van de Nederlanders
96 % van de Vlamingen.