bug

Uit WikiWoordenboek
Ga naar: navigatie, zoeken

Engels

Uitspraak
enkelvoud meervoud
bug bugs

Zelfstandig naamwoord

bug

  1. (dierkunde) insect
  2. afluisterapparaat
    «The FBI agent placed a bug in the suit of the criminal.»
    De FBI agent plaatste een afluisterapparaat in het pak van de crimineel.
vervoeging
onbepaalde wijs to bug
he/she/it bugs
verleden tijd bugged
voltooid
deelwoord
bugged
onvoltooid
deelwoord
bugging
gebiedende wijs bug

Werkwoord

bug

  1. dwarszitten
  2. afluisterapparaat plaatsen in