Naar inhoud springen

bruid

Uit WikiWoordenboek
Hollands bruidje
  • bruid
  • In de betekenis van ‘verloofde’ voor het eerst aangetroffen in 1240.[1]
  • erfwoord: Middelnederlands bruut ‘verloofde, jonggehuwde vrouw, bijzit’, ontwikkeld uit Oergermaans *brūdi-; verdere herkomst onzeker.[2] Misschien een afleiding op vervrouwelijkend *-ti (vgl. maagd) bij dezelfde stam als Oudnoords brúða ‘vlasbundel’, IJslands brúða ‘pop; marionet’ en Noors brugde ‘bundel, plukje’.[3] Evenals Nederduits Bruut, Duits Braut en Fries breid.
enkelvoud meervoud
naamwoord bruid bruiden
verkleinwoord bruidje bruidjes

debruidv

  1. een vrouw die in het huwelijk treedt
    • Ze was een stralende bruid op die prachtige dag. 
     Ze bekijkt Nella met een kille glimlach en laat haar blauwe ogen over de jonge bruid dwalen.[4]
     De kersverse bruid bracht haar huwelijksnacht door in het bed dat ze al jaren met Arabella deelde, met haar voeten naar het hoofdeinde van haar woelende zusje gericht.[4]
100 %van de Nederlanders;
99 %van de Vlamingen.[5]
  • Van het Nederlandse bruid.
enkelvoud of
impliciet meervoud
expliciet meervoud
  bruid     bruidnan  

bruid

  1. bruid
  • Schrijfwijze op Bonaire en Curaçao: brùit.