bruidegom

Uit WikiWoordenboek
Ga naar: navigatie, zoeken

Nederlands

bruidegom
Uitspraak
Woordafbreking
  • brui·de·gom
Woordherkomst en -opbouw
  • Oudnl. brudegomo. Voor het eerste lid zie nl. bruid. Het tweede lid is afkomstig van oudsaksisch gumo, gotisch guma (man). Verg. lat. homo (man, mens). met het invoegsel -e- [1]
enkelvoud meervoud
naamwoord bruidegom bruidegoms
verkleinwoord

Zelfstandig naamwoord

bruidegom m

  1. man die in het huwelijk treedt, het is de mannelijke vorm van bruid en dat is opmerkelijk want er zijn veel meer vrouwelijke vormen van mannelijke woorden
    • De traditie wil dat bruidegom en gasten de bruidsjurk pas op het allerlaatste moment zien. 
Afgeleide begrippen
Vertalingen

Gangbaarheid

99 % van de Nederlanders
99 % van de Vlamingen.

Meer informatie

Verwijzingen


Papiamento

Woordherkomst en -opbouw
enkelvoud of
impliciet meervoud
expliciet meervoud
  bruidegom     bruidegomnan  

Zelfstandig naamwoord

bruidegom

  1. bruidegom
Schrijfwijzen
Antoniemen