bruidegom

Uit WikiWoordenboek
Ga naar: navigatie, zoeken

Nederlands

bruidegom
Uitspraak
Woordafbreking
  • brui·de·gom
Woordherkomst en -opbouw
  • Oudnl. brudegomo. Voor het eerste lid zie nl. bruid. Het tweede lid is afkomstig van oudsaksisch gumo, gotisch guma (man). Verg. lat. homo (man, mens). met het invoegsel -e- [1]
enkelvoud meervoud
naamwoord bruidegom bruidegoms
verkleinwoord

Zelfstandig naamwoord

bruidegom m

  1. man die in het huwelijk treedt, het is de mannelijke vorm van bruid en dat is opmerkelijk want er zijn veel meer vrouwelijke vormen van mannelijke woorden
    De traditie wil dat bruidegom en gasten de bruidsjurk pas op het allerlaatste moment zien.
Afgeleide begrippen
Vertalingen

Meer informatie

Verwijzingen
  1. etymologiebank.nl


Papiamento

Woordherkomst en -opbouw
enkelvoud of
impliciet meervoud
expliciet meervoud
  bruidegom     bruidegomnan  

Zelfstandig naamwoord

bruidegom

  1. bruidegom
Schrijfwijzen
Antoniemen