bokser

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen
Andere schrijfwijzen Niet te verwarren met: boxer
[1] Twee boksers in actie.

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • bok·ser
Woordherkomst en -opbouw
enkelvoud meervoud
naamwoord bokser boksers
verkleinwoord boksertje boksertjes

Zelfstandig naamwoord

bokser m

  1. (sport) een persoon die het boksen beoefent
  2. (verouderd) een lid van een geheime Chinese organisatie omstreeks 1900
Gelijkklinkende woorden
Vertalingen

Gangbaarheid

99 % van de Nederlanders;
100 % van de Vlamingen.

Meer informatie

Verwijzingen


Noors

Uitspraak
Woordafbreking
  • bok·ser
Woordherkomst en -opbouw
  • boxer [1]: ontleend aan het Engelse naamwoord boxer.
  • boxer [2]: benoemd na de trainingsmethoden van de Chinese organisatie
Naar frequentie 4315

Werkwoord

bokser

  1. tegenwoordige tijd van bokse

Zelfstandig naamwoord

bokser, mv

  1. onbepaalde vorm nominatief meervoud van boks
Verwante begrippen

Zelfstandig naamwoord

bokser m

  1. (sport) bokser (boksen)
  2. (verouderd) bokser (lid van een Chinese organisatie)
Verbuiging
m enkelvoud meervoud
onbepaald bepaald onbepaald bepaald
nominatief   bokser     bokseren     boksere     bokserne  
genitief   boksers     bokserens     bokseres     boksernes  
Synoniemen
Synoniemen
Verwante begrippen


Nynorsk

Woordafbreking
  • bok·ser

Werkwoord

bokser

  1. tegenwoordige tijd van boksa

Werkwoord

bokser

  1. tegenwoordige tijd van bokse