boerin

Uit WikiWoordenboek
Ga naar: navigatie, zoeken

Nederlands

boerin
Uitspraak
Woordafbreking
  • boe·rin
Woordherkomst en -opbouw
  • Afgeleid van boer met het achtervoegsel -in
enkelvoud meervoud
naamwoord boerin boerinnen
verkleinwoord boerinnetje boerinnetjes

Zelfstandig naamwoord

boerin v

  1. echtgenote van een boer
    Hij is geboren op een boerderij, de jongste van dertien kinderen. Zijn moeder molk de koeien, met de hand, want zijn vader had het nooit geleerd. „Het Duitse systeem”, zegt hij. „In Duitsland was het gewoon dat de boerin molk en de boer in bed bleef liggen.”[1]
  2. vrouwelijke landbouwer of veeteler
    In de stromende regen eisten de boeren met spandoeken toegang tot de ministeriële bus. Na enig onderhandelen mocht een boerin daar een brief voorlezen („Ik heb een droom. Ik droom dat jullie op een dag werkelijk om ons geven”). Daarna waren er kaasblokjes met prikkers – de vlaggetjes halfstok. „Dat maakte indruk”, aldus Antonissen. „Dat zag je.”[2]
  3. (scheldwoord) lompe, ongemanierde vrouw
    Haar vader zei: je lijkt wel een boerin, met die pruik op je hoofd. En al was haar vader ‘licht dementerend’, die opmerking deed zo veel pijn, dat Leny van Zundert besloot de pruik terug te doen in de doos om hem vervolgens nooit te dragen.[3]
Afgeleide begrippen
Vertalingen

Meer informatie

  • Jannetje Koelewijn NRC 22 april 2016
  • Leonie van Nierop NRC 1 juni 2016
  • Margot Poll NRC 9 mei 2016