afbluffen

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • af·bluf·fen
Woordherkomst en -opbouw

Werkwoord

stamtijd
onbepaalde
wijs
verleden
tijd
voltooid
deelwoord
afbluffen
blufte af
afgebluft
zwak -t volledig

afbluffen

  1. winnen door grootspraak, winnen door bluffen
    • Ik moest mijn beperkte biologische hersens pijnigen om die logica te volgen maar nu snap ik het. Neuralink gaat onze toekomstige redders scheppen: supermensen die zich niet laten afbluffen door computers en graag een potje 2017 spelen.[1] 
    • Aantrekkelijk om te aanschouwen allemaal. Promes bood de als veilige marge te beschouwen 2-0 voorsprong met zijn twee curieuze doelpunten, vreemd in de zin dat de bal beide keren door de benen van meerderde tegenstanders een weg vond naar het net. De desorganisatie bij Oranje in het vervolg van de eerste helft bracht de ploeg niet ernstig in verlegenheid. Maar het verval zette door na rust, toen Jeffrey Bruma liet zich afbluffen aan de achterlijn, waarna de strakke assist van aanvoerder Siarhei Kornilenko werd binnengewerkt door Aliaksei Rios: 2-1. [2] 
Synoniemen

Gangbaarheid

89 % van de Nederlanders;
60 % van de Vlamingen.

Verwijzingen

  1. NRC 4 april 2017
  2. NRC Henk Stouwdam 7 oktober 2016