bezwaar

Uit WikiWoordenboek
Ga naar: navigatie, zoeken

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • be·zwaar
Woordherkomst en -opbouw
enkelvoud meervoud
naamwoord bezwaar bezwaren
verkleinwoord bezwaartje bezwaartjes

Zelfstandig naamwoord

bezwaar o

  1. bedenking
    Zijn bezwaar werd direct behandeld en opgelost.
  2. moeilijkheid, nadeel
    Het plan om midden in de stad een windturbine te plaatsten heeft grote bezwaren.
Hyponiemen
Afgeleide begrippen
Vertalingen

Werkwoord

vervoeging van
bezwaren

bezwaar

  1. eerste persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van bezwaren
    Ik bezwaar.
  2. gebiedende wijs van bezwaren
    Bezwaar!
  3. (bij inversie) tweede persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van bezwaren
    Bezwaar je?

Meer informatie

Verwijzingen
  1. etymologiebank.nl