bevriezen

Uit WikiWoordenboek
Ga naar: navigatie, zoeken

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • be·vrie·zen
Woordherkomst en -opbouw
stamtijd
onbepaalde
wijs
verleden
tijd
voltooid
deelwoord
bevriezen
/bə'vrizə(n)/
bevroor
/bə'vro̝ːr/
bevroren
/bə'vro̝ːrə(n)/
klasse 2 volledig

Werkwoord

bevriezen

  1. ergatief door afkoeling in vaste toestand komen
    • Water bevriest bij nul graden Celsius. 
  2. ergatief door afkoeling ophouden met werken of beschadigd raken
    • Tijdens deze strenge winter is een deel van de oogst bevroren. 
  3. ergatief ineens ophouden met bewegen; verstijven; dichtklappen
    • Ze bevroor als een konijn in het licht van koplampen. 
    • Zijn glimlach bevroor. 
  4. overgankelijk iets door afkoeling in vaste toestand doen komen
    • We bevriezen onze groenten twee uur na de oogst. 
  5. overgankelijk iets blokkeren of niet verder laten toenemen
    • Thailand wil de export naar de EU bevriezen. 
Antoniemen
Vertalingen

Gangbaarheid

100 % van de Nederlanders
100 % van de Vlamingen.

Meer informatie