bevroren

Uit WikiWoordenboek
Ga naar: navigatie, zoeken

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • be·vro·ren
Woordherkomst en -opbouw
stellend
onverbogen bevroren
verbogen bevroren

Bijvoeglijk naamwoord

bevroren

  1. door afkoeling in vaste toestand gekomen; volledig met ijs bedekt
    • De rivier was helemaal bevroren'. 
  2. (figuurlijk) geblokkeerd, vastgezet, stilgelegd
    • Alle diplomatieke contacten zijn bevroren'. 
    • Een bevroren account, bevroren tegoeden. 
Vertalingen

Werkwoord

vervoeging van
bevriezen

bevroren

  1. meervoud verleden tijd van bevriezen
    • Wij bevroren. 
    • Jullie bevroren. 
    • Zij bevroren. 
  2. voltooid deelwoord van bevriezen

Gangbaarheid

100 % van de Nederlanders
99 % van de Vlamingen.