besparen

Uit WikiWoordenboek
Ga naar: navigatie, zoeken

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • be·spa·ren
Woordherkomst en -opbouw
  • Afgeleid van sparen met het voorvoegsel be-.
stamtijd
onbepaalde
wijs
verleden
tijd
voltooid
deelwoord
besparen
bespaarde
bespaard
zwak -d volledig

Werkwoord

besparen

  1. overgankelijk minder van iets gebruiken of verbruiken
    • Ik bespaar benzine door minder snel te rijden. 
  2. inergatief, (economie) ~ op: minder geld uitgeven, bezuinigen
    • De overheid zal moeten besparen op de onderwijsuitgaven. 
  3. overgankelijk, (figuurlijk) niet met iets geconfronteerd willen worden, zorgen dat iets niet gebeurd of hoeft te gebeuren.
    • Bespaar me je geleuter! 
    • Als je nu gewoon doet wat ik zeg bespaart met dat een hoop energie. 
Afgeleide begrippen
Vertalingen

Gangbaarheid

100 % van de Nederlanders
99 % van de Vlamingen.

Meer informatie