besparing

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • be·spa·ring
Woordherkomst en -opbouw
  • Naamwoord van handeling van besparen met het achtervoegsel -ing.
enkelvoud meervoud
naamwoord besparing besparingen
verkleinwoord besparinkje besparinkjes

Zelfstandig naamwoord

besparing v

  1. (financieel) het voordeel door ergens minder voor uit te geven
    • De besparing op het huishoudgeld bedroeg al snel tientallen euro's. 
Hyponiemen
Vertalingen

Gangbaarheid

100 % van de Nederlanders;
100 % van de Vlamingen.

Meer informatie