berokkenen

Uit WikiWoordenboek
Ga naar: navigatie, zoeken

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • be·rok·ke·nen
Woordherkomst en -opbouw
stamtijd
onbepaalde
wijs
verleden
tijd
voltooid
deelwoord
berokkenen
berokkende
berokkend
zwak -d volledig

Werkwoord

berokkenen

  1. overgankelijk de oorzaak zijn van iets, iemand iets aandoen
    • Een atoombom kan erg veel schade berokkenen. 
Synoniemen
Vertalingen

Gangbaarheid

90 % van de Nederlanders
93 % van de Vlamingen.

Verwijzingen