benevelen

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • be·ne·ve·len
Woordherkomst en -opbouw

Werkwoord

benevelen [1]

stamtijd
onbepaalde
wijs
verleden
tijd
voltooid
deelwoord
benevelen
benevelde
beneveld
zwak -d volledig
  1. het bewustzijn minder helder maken
    • Ja, drugontwerpers bestaan, althans ze bestonden. Ze waren niet op zoek naar partydrugs. Ze werkten voor de farmaceutische industrie. De meeste stoffen die nu gebruikt worden om het centrale zenuwstelsel te benevelen en te verstrooien zijn in de twintigste eeuw door farmacologen uit planten geïsoleerd, nagemaakt en aangepast. Via het medicijnkastje belandden deze medicijnen met geestverruimende bijwerkingen uiteindelijk bij recreatieve gebruikers. Zo werd ketamine in de jaren 60 in België gepatenteerd als pijnbestrijder en narcosemiddel voor dieren, tot ravers ontdekten dat de stof in lagere doses hallucinaties opwekt en een zweverig gevoel geeft.[2] 
  2. het uitschakelen van het kritische denkvermogen
    • Intellectuelen lieten zich gretig verleiden door totalitaire systemen, dis je ons nog maar eens op. Intellectuelen zien zichzelf te veel als profeten en koningen. Intellectuelen laten zich graag benevelen door hun eigen goeie bedoelingen. Allemaal volkomen waar, Frits. Geleend licht hoeft geen vals licht te zijn. [3]  
  3. door een nevel vochtig maken, door een nevel aanbrengen
Synoniemen
Vertalingen

Gangbaarheid

98 % van de Nederlanders;
96 % van de Vlamingen.

Verwijzingen

  1. Woordenboek der Nederlandsche taal (1864-2001).
  2. NRC Lucas Brouwers 12 augustus 2016
  3. NRC Gerrit Komrij 8 april 2004