benevelde

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • be·ne·vel·de

Werkwoord

vervoeging van
benevelen

benevelde

  1. enkelvoud verleden tijd van benevelen
    • Ik benevelde. 
    • Jij benevelde. 
    • Hij, zij, het benevelde. 
  2. verbogen vorm van beneveld, voltooid deelwoord van benevelen