bedwelmen

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • be·dwel·men
Woordherkomst en -opbouw
  • In de betekenis van ‘benevelen’ voor het eerst aangetroffen in 1401 [1]
  • Afgeleid van dwelm met het voorvoegsel be-
stamtijd
onbepaalde
wijs
verleden
tijd
voltooid
deelwoord
bedwelmen
bedwelmde
bedwelmd
zwak -d volledig

Werkwoord

bedwelmen

  1. overgankelijk iemands bewustzijn verminderen of laten verliezen door blootstelling aan een bepaalde stof, benevelen
    • Het gas in de ruimte bedwelmde hem. 
    • Hij was bedwelmd door de drugs. 
Vertalingen

Gangbaarheid

99 % van de Nederlanders;
98 % van de Vlamingen.

Verwijzingen