verwarren

Uit WikiWoordenboek
Ga naar: navigatie, zoeken

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • ver·war·ren
stamtijd
onbepaalde
wijs
verleden
tijd
voltooid
deelwoord
verwarren
verwarde
verward
zwak -d volledig

Werkwoord

verwarren

  1. overgankelijk in de war brengen
    Met hun aanwezigheid verwarren de controleurs de medewerker.
  2. overgankelijk door elkaar halen
    De medewerkers verwarren boven- en onderkant steeds.
Afgeleide begrippen
Vertalingen

Gangbaarheid

99 % van de Nederlanders
99 % van de Vlamingen.