beangst

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • be·angst
Woordherkomst en -opbouw
  • vervoeging van beangsten: de stam zonder -t omdat de stam al op -t eindigt en zonder ge- vanwege voorvoegsel [1]

Werkwoord

vervoeging van
beangsten

beangst

  1. enkelvoud tegenwoordige tijd van beangsten
  2. gebiedende wijs van beangsten
vervoeging van: beangsten…
verbogen vorm: beangste

beangst

  1. voltooid deelwoord van beangsten
stellend vergrotend overtreffend
onverbogen beangst beangster (beangstst) *
verbogen beangste beangstere (beangstste) *
partitief beangsts beangsters -

Bijvoeglijk naamwoord

beangst

  1. benauwd door iets engs
    • Oudere jongens deden hem dan wel eens verhalen van spoken in de mijn, en als ze dan heengegaan waren, gebeurde het dat hij beangst werd en huilde. [2]
Opmerkingen
  • Omdat "-stst" moeilijk is uit te spreken en te verstaan kan voor de overtreffende trap beter de omschrijving "meest beangst(e)" worden gebruikt.[3][4]
Synoniemen
Verwante begrippen
Afgeleide begrippen
Vertalingen

Gangbaarheid

48 % van de Nederlanders;
36 % van de Vlamingen.[5]

Verwijzingen