barok
Uiterlijk

- ba·rok
afgeleid van het Portugese barroco (rots van graniet; onregelmatige parel)
| enkelvoud | meervoud | |
|---|---|---|
| naamwoord | barok | - |
| verkleinwoord |
- een 17e eeuwse kunststroming die er naar streeft grootste, dramatische momenten en beweging uit te drukken
- Bij de barok zijn de voorstellingen altijd vreselijk theatraal, bijna hysterisch.
1. een 17e eeuwse kunststroming die er naar streeft grootste, dramatische momenten en beweging uit te drukken
| stellend | vergrotend | overtreffend | |
|---|---|---|---|
| onverbogen | barok | barokker | barokst |
| verbogen | barokke | barokkere | barokste |
| partitief | baroks | barokkers | - |
barok
- onregelmatig, grillig, vreemd gevormd of overladen
- van, behorend tot, met de kenmerken van de barok
- Het woord barok staat in de Woordenlijst Nederlandse Taal van de Nederlandse Taalunie.
- In onderzoek uit 2013 van het Centrum voor Leesonderzoek werd "barok" herkend door:
| 96 % | van de Nederlanders; |
| 97 % | van de Vlamingen.[1] |
- Zie Wikipedia voor meer informatie.
- ↑
Door archive.org gearchiveerde versie van 21 oktober 2019 “Word Prevalence Values” op ugent.be
Categorieën:
- Woorden in het Nederlands
- Woorden in het Nederlands van lengte 5
- Woorden in het Nederlands met audioweergave
- Woorden met 2 lettergrepen in het Nederlands
- Woorden in het Nederlands met IPA-weergave
- Zelfstandig naamwoord in het Nederlands
- Bijvoeglijk naamwoord in het Nederlands
- Woordenlijst Nederlandse Taal
- Prevalentie Nederland 96 %
- Prevalentie Vlaanderen 97 %