angsthaas

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • angst·haas
Woordherkomst en -opbouw
  • Leenwoord uit het Duits, in de betekenis van ‘bangerd’ voor het eerst aangetroffen in 1984 [1]
  • samenstelling van  angst   en  haas   [2]
enkelvoud meervoud
naamwoord angsthaas angsthazen
verkleinwoord angsthaasje angsthaasjes

Zelfstandig naamwoord

angsthaas m

  1. iemand die snel bang is
Synoniemen

Gangbaarheid

100 % van de Nederlanders
99 % van de Vlamingen.

Meer informatie

Verwijzingen