hazenhart
Uiterlijk
- ha·zen·hart
- samenstelling van haas en hart met het invoegsel -en-
| enkelvoud | meervoud | |
|---|---|---|
| naamwoord | hazenhart | hazenharten |
| verkleinwoord | hazenhartje | hazenhartjes |
het hazenhart o
- (scheldwoord) iemand die overdreven snel bang is
- ▸ Ik hóef er helemaal niet heen, er is niemand die me dwingt, dacht Krabat. Maar meteen daarop schold hij zichzelf uit voor hazenhart, raapte al zijn moed bijeen en kwam het bos uit..[1]
- Het woord hazenhart staat in de Woordenlijst Nederlandse Taal van de Nederlandse Taalunie.
- ↑ “Meester van de zwarte molen (Krabat)” (1971)