baad

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • baad

Werkwoord

vervoeging van
baden

baad

  1. eerste persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van baden
    • Ik baad. 
  2. gebiedende wijs van baden
    • Baad! 
  3. (bij inversie) tweede persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van baden
    • Baad je? 


Limburgs

Uitspraak

Zelfstandig naamwoord

baad o

  1. (Hooglimburgs) bad
Verbuiging