apotheek

Uit WikiWoordenboek
Ga naar: navigatie, zoeken

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • apo·theek
Woordherkomst en -opbouw
  • via het Latijn uit het Grieks, met het voorvoegsel apo- met het achtervoegsel -theek [1]
enkelvoud meervoud
naamwoord apotheek apotheken
verkleinwoord apotheekje apotheekjes

Zelfstandig naamwoord

apotheek v/m

  1. (medisch) plaats waar men geneesmiddelen en andere gezondheidsproducten kan kopen
    • Medicijnen die voorgeschreven zijn door de arts kun je ophalen bij de apotheek. 
  2. voorraad medicamenten
    • Op vakantie heb ik een reisapotheek bij me. 
Vertalingen

Gangbaarheid

100 % van de Nederlanders
100 % van de Vlamingen.

Meer informatie

Verwijzingen