antidotum

Uit WikiWoordenboek
Ga naar: navigatie, zoeken

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • an·ti·do·tum
Woordherkomst en -opbouw

Via het Latijnse antidotum en het Griekse ἀντίδοτον of ἀντίδοτος van het werkwoord ἀντιδίδωμι (met het voorvoegsel anti-) [1]

enkelvoud meervoud
naamwoord antidotum antidota
verkleinwoord antidotumpje antidotumpjes

Zelfstandig naamwoord

antidotum o

  1. (medisch) een tegengif
    Bestaat hier een antidotum voor?
Synoniemen
Verwante begrippen
Afgeleide begrippen
Vertalingen
Gangbaarheid
61 % van de Nederlanders
67 % van de Vlamingen.

Meer informatie

Verwijzingen
  1. etymologiebank.nl


Latijn

Zelfstandig naamwoord

antidotum

  1. (medisch) antidotum.