antidotum

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • an·ti·do·tum
Woordherkomst en -opbouw
enkelvoud meervoud
naamwoord antidotum antidota
verkleinwoord antidotumpje antidotumpjes

Zelfstandig naamwoord

antidotum o

  1. (medisch) een tegengif
    • Bestaat hier een antidotum voor? 
Synoniemen
Verwante begrippen
Afgeleide begrippen
Vertalingen

Gangbaarheid

61 % van de Nederlanders;
67 % van de Vlamingen.

Meer informatie

Verwijzingen


Latijn

Zelfstandig naamwoord

antidotum

  1. (medisch) antidotum.