aminozuur

Uit WikiWoordenboek
Ga naar: navigatie, zoeken

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • ami·no·zuur
Woordherkomst en -opbouw
enkelvoud meervoud
naamwoord aminozuur aminozuren
verkleinwoord aminozuurtje aminozuurtjes

Zelfstandig naamwoord

aminozuur o

  1. (biochemie) (medisch) bouwstof van de eiwitten, een organische verbinding die zowel een carboxylgroep (-COOH) als een aminegroep (-NH2) bezit
Vertalingen

Gangbaarheid

98 % van de Nederlanders
99 % van de Vlamingen.

Meer informatie

Verwijzingen