amandel

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen
in wijzerzin: een geopende amandelpit, een amandelpit, een rauwe amandel en een gebleekte amandel


Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • aman·del
Woordherkomst en -opbouw
m enkelvoud meervoud
naamwoord amandel amandels
verkleinwoord

Zelfstandig naamwoord

amandel m

  1. (plantkunde) kleine bladverliezende loofboom Amygdalus dulcis op Wikispecies, die vooral in bergachtige gebieden groeit
Synoniemen
Vertalingen
v/m enkelvoud meervoud
naamwoord amandel amandelen, amandels
verkleinwoord amandeltje amandeltjes

Zelfstandig naamwoord

amandel v / m

  1. (fruit) vrucht van de amandelboom Amygdalus dulcis op Wikispecies
  2. (voeding) eetbare pit van de amandelvrucht
  3. (anatomie) elk van de vier klieren in de neus-keelholte, die deel uitmaken van het afweersysteem
    • Bij veel kinderen worden de amandelen  geknipt.
Synoniemen
Hyponiemen
Afgeleide begrippen
Uitdrukkingen en gezegden
  • [3] mandelen knippen
    tonsillen operatief verwijderen
Vertalingen

Gangbaarheid

99 % van de Nederlanders;
99 % van de Vlamingen.[4]

Meer informatie

Verwijzingen


Afrikaans

enkelvoud meervoud
naamwoord amandel amandels

Zelfstandig naamwoord

amandel

  1. (fruit) amandel