Naar inhoud springen

afwezige

Uit WikiWoordenboek
  • af·we·zi·ge
  • Afgeleid van afwezig met het achtervoegsel -e

afwezige

  1. verbogen vorm van de stellende trap van afwezig
     'Olive kreeg een afwezige blik in haar ogen, terwijl ze zich begon terug te trekken uit de omgeving van haar zolder en dichter bij haar kunstzinnige visie kwam.[1]
     In de ongemakkelijke stilte die er in de kamer hing, keken zij beiden met afwezige blik naar de rug van Jeroen.[2]
enkelvoud meervoud
naamwoord afwezige afwezigen
verkleinwoord - -

deafwezigev/m

  1. iemand die tegen de verwachting in iets niet bijwoont
    • Tengevolge van de griep waren er veel afwezigen. 
     We hadden onze plaatsen aan tafel ingenomen - sir Endelion en lady Menfrey, William Lister en ik, en verwachtten dat de afwezigen ieder ogenblik zouden komen.[3]
98 %van de Nederlanders;
99 %van de Vlamingen.[4]
  1. Jessie Burton (vert.Marja Borg)
    “De muze” (2017), Luitingh-Sijthoff op Wikipedia, ISBN 9789024574704
  2. All-inclusive” op Wikipedia (2006), A. W. Bruna Uitgevers B. V. , Utrecht op Wikipedia, ISBN 90-229-9182-2
  3. Victoria Holt
    “Burcht der verschrikking” (1966), Saga, ISBN 9788726484878
  4. Bronlink geraadpleegd op 28 april 2020 Door archive.org gearchiveerde versie van 21 oktober 2019 “Word Prevalence Values” op ugent.be