afstammen

Uit WikiWoordenboek
Ga naar: navigatie, zoeken

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • af·stam·men
Woordherkomst en -opbouw
stamtijd
onbepaalde
wijs
verleden
tijd
voltooid
deelwoord
afstammen
stamde af
afgestamd
zwak -d volledig

Werkwoord

afstammen

  1. ergatief ~ van: een nakomeling zijn van
    • Koningin Beatrix stamt af van Johan Willem Friso. 
  2. ergatief in directe lijn teruggevoerd kunnen worden
    • Het Nederlands stamt af van het West-Germaans. 
Vertalingen

Gangbaarheid

99 % van de Nederlanders
99 % van de Vlamingen.