sprak
Uiterlijk
- sprak
| vervoeging van |
|---|
| spreken |
sprak
- enkelvoud verleden tijd van spreken
- Ik sprak.
- Jij sprak.
- Hij, zij, het sprak.
- Ik sprak.
- ▸ Sprak ik daarom minachtend over hun liederlijke avonden, of als ze weer eens samen een pilletje hadden gebruikt.[1]
- ▸ Vrijwel die hele eerste week was de enige die ik sprak een meisje dat Pamela Rudge heette.[2]
- ▸ Hij klonk vasthoudend, maar sprak zo zacht dat ze niet kon verstaan wat hij precies zei.[2]
- Het woord sprak staat in de Woordenlijst Nederlandse Taal van de Nederlandse Taalunie.
- ↑ Ronald Giphart e.a.“Een familie en een Griekse god” (2023), The House of Books, ISBN 9789044366471
- 1 2 Jessie Burton vert. Marja Borg“De muze” (2017), Luitingh-Sijthoff
, ISBN 9789024574704