afscheid

Uit WikiWoordenboek
Ga naar: navigatie, zoeken

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • af·scheid
Woordherkomst en -opbouw
  • uit het Middelnederlands [1]
enkelvoud meervoud
naamwoord afscheid -
verkleinwoord afscheidje afscheidjes

Zelfstandig naamwoord

afscheid o

  1. een begroeting bij het elkaar verlaten
Verwante begrippen
Afgeleide begrippen
Vertalingen

Werkwoord

vervoeging van
afscheiden

afscheid

  1. (in een bijzin) eerste persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van afscheiden
    • ... dat ik afscheid. 
  2. (in een bijzin) eerste persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van zich afscheiden
    • ... dat ik me afscheid. 

Gangbaarheid

100 % van de Nederlanders
100 % van de Vlamingen.

Verwijzingen

Meer informatie