afscheid

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • af·scheid
Woordherkomst en -opbouw
  • In de betekenis van ‘het scheiden’ voor het eerst aangetroffen in 1450 [1]
  • uit het Middelnederlands [2]
enkelvoud meervoud
naamwoord afscheid -
verkleinwoord afscheidje afscheidjes

Zelfstandig naamwoord

afscheid o

  1. een begroeting bij het elkaar verlaten
    • Bij een afscheid kun je beter zeggen tot ziens dan vaarwel, want bij vaarwel denk je iemand nooit weer te zullen ontmoeten. 
    • Plotseling voelde hij dat het tijd werd afscheid van de oude man te nemen en een poging te doen om de andere oever te bereiken.[3] 
Verwante begrippen
Afgeleide begrippen
Vertalingen

Werkwoord

vervoeging van
afscheiden

afscheid

  1. (in een bijzin) eerste persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van afscheiden
    • ... dat ik afscheid. 
  2. (in een bijzin) eerste persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van zich afscheiden
    • ... dat ik me afscheid. 

Gangbaarheid

100 % van de Nederlanders
100 % van de Vlamingen.

Verwijzingen

  1. Chronologisch Woordenboek, Nicoline van der Sijs
  2. etymologiebank.nl
  3. Herzen, Frank De zoon van de woordbouwer 1970 ISBN 9062805450 pagina 80

Meer informatie