afscheid

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • af·scheid
Woordherkomst en -opbouw
  • In de betekenis van ‘het scheiden’ voor het eerst aangetroffen in 1450 [1]
  • uit het Middelnederlands [2]
enkelvoud meervoud
naamwoord afscheid -
verkleinwoord afscheidje afscheidjes

Zelfstandig naamwoord

afscheid o

  1. een begroeting bij het elkaar verlaten
    • Bij een afscheid kun je beter zeggen tot ziens dan vaarwel, want bij vaarwel denk je iemand nooit weer te zullen ontmoeten. 
    • Plotseling voelde hij dat het tijd werd afscheid van de oude man te nemen en een poging te doen om de andere oever te bereiken.[3] 
     Het afscheid van de gestorven graaf is officieel een privéaangelegenheid. Maar een rouwstoet met vijfhonderd genodigden die van de Grote Kerk in het centrum van Almelo naar het mausoleum op het grafelijke landgoed ten oosten van de stad wandelt is ook een publieke aangelegenheid.[4]
Verwante begrippen
Afgeleide begrippen
Vertalingen

Werkwoord

vervoeging van
afscheiden

afscheid

  1. (in een bijzin) eerste persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van afscheiden
    • ... dat ik afscheid. 
  2. (in een bijzin) eerste persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van zich afscheiden
    • ... dat ik me afscheid. 

Gangbaarheid

100 % van de Nederlanders;
100 % van de Vlamingen.[5]

Meer informatie

Verwijzingen

  1. "afscheid" in: Sijs, Nicoline van der, Chronologisch woordenboek. De ouderdom en herkomst van onze woorden en betekenissen, 2e druk, Amsterdam / Antwerpen: Veen, 2002; op website dbnl.org; ISBN 90 204 2045 3
  2. afscheid op website: Etymologiebank.nl
  3. Herzen, Frank De zoon van de woordbouwer 1970 ISBN 9062805450 pagina 80
  4. Bronlink Weblink bron Henk van Schuppen “Uitvaart Heer van Almelo: nog één keer passeert graaf Van Rechteren de Limpurgsingel” (22-11-2019), Tubantia
  5. Bronlink geraadpleegd op 28 april 2020 Weblink bron Gearchiveerde versie “Word Prevalence Values” op ugent.be