afscheidnemen

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • af·scheid·ne·men
Woordherkomst en -opbouw
enkelvoud meervoud
naamwoord afscheidnemen -
verkleinwoord - -

Zelfstandig naamwoord

afscheidnemen o

  1. geheel van handelingen, gevoelens en uitgesproken wensen wanneer iemand voor langere tijd of voorgoed onbereikbaar zal worden
    • Bij het onverwachte én veel te vroege afscheidnemen van Lieve moet ik als vanzelf denken aan het zinrijke vers van René Verbeeck ‘Vlaanderen, ook de stillen werken aan u’. [1]
  2. (figuurlijk) gevoelens en handelingen wanneer men verwacht van een plaats of een voorwerp langere tijd of nooit meer te kunnen genieten
    • De reden waarom deze nu in de bloemen wordt gezet, ligt zoals gouverneur Declerck het uitdrukt, ‘in het bereiken van een zekere leeftijd en in het daaruit voortvloeiende afscheidnemen van het Instituut van Ter Kameren’. [2]
Opmerkingen
  • Dit zelfstandig naamwoord wordt net als het bijvoeglijk naamwoord afscheidnemend aan elkaar geschreven. Maar de vaste verbinding waarvan deze woorden zijn afgeleid is een woordgroep en wordt met een spatie geschreven: "afscheid nemen". Dit verschil is in de uitspraak ook hoorbaar: zonder bijzondere nadruk krijgt "nemen" evenveel klemtoon als "afscheid".

Gangbaarheid

Verwijzingen