deal

Uit WikiWoordenboek
Ga naar: navigatie, zoeken

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • deal
Woordherkomst en -opbouw
  • van het Engels [1]
enkelvoud meervoud
naamwoord deal deals
verkleinwoord dealtje dealtjes

Zelfstandig naamwoord

deal m [2]

  1. (informeel) overeenkomst, transactie
    De wethouder had een deal gemaakt met de vastgoedondernemer.
Hyponiemen
Afgeleide begrippen


Gangbaarheid
97 % van de Nederlanders
98 % van de Vlamingen.

Meer informatie

Verwijzingen
  1. etymologiebank.nl
  2. Woordenboek der Nederlandse taal


Engels

Uitspraak
enkelvoud meervoud
deal deals

Zelfstandig naamwoord

deal

  1. transactie
vervoeging
onbepaalde wijs to deal
he/she/it deals
verleden tijd dealt
voltooid
deelwoord
dealt
onvoltooid
deelwoord
dealing
gebiedende wijs deal

Werkwoord

deal

  1. handelen