deal

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • deal
Woordherkomst en -opbouw
  • van het Engels [1]
enkelvoud meervoud
naamwoord deal deals
verkleinwoord dealtje dealtjes

Zelfstandig naamwoord

deal m [2]

  1. (informeel) overeenkomst, transactie
    • De wethouder had een deal gemaakt met de vastgoedondernemer. 
    • Een gauwdief gaat aan een vroom en eerlijk man vragen om met hem een deal te sluiten, maar hij krijgt een negatief antwoord. Dan gaat die gemenerd, louter uit spijt en wraakzucht, alle gelegenheden na om die goede man leed te berokkenen. [3] 
Hyponiemen
Afgeleide begrippen

Werkwoord

vervoeging van
dealen

deal

  1. eerste persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van dealen
    • Ik deal. 
  2. gebiedende wijs van dealen
    • Deal! 
  3. (bij inversie) tweede persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van dealen
    • Deal je? 

Gangbaarheid

97 % van de Nederlanders;
98 % van de Vlamingen.

Meer informatie

Verwijzingen


Engels

Uitspraak
enkelvoud meervoud
deal deals

Zelfstandig naamwoord

deal

  1. transactie
vervoeging
onbepaalde wijs to  deal 
he/she/it  deals 
verleden tijd  dealt 
voltooid
deelwoord
 dealt 
onvoltooid
deelwoord
 dealing 
gebiedende wijs  deal 

Werkwoord

deal

  1. handelen


Frans

Uitspraak

Zelfstandig naamwoord

deal m

  1. (spreektaal) verkoop van drugs [1]
  2. (spreektaal) afspraak, deal
    «J’ai un deal avec Michel, il va me fournir un ampli pour notre résoi, moi j'apporte les CDs.»
    Ik heb een deal met Michel, hij zorgt voor een versterker voor ons feest, ik breng de cd's mee. [1]

Verwijzingen