présence

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • pré·sen·ce
Woordherkomst en -opbouw
enkelvoud meervoud
naamwoord présence -
verkleinwoord - -

Zelfstandig naamwoord

présence m/v

  1. manier waarop iemands aanwezigheid indruk maakt op anderen
    • Het is die innerlijke heftigheid die hem een onnavolgbare présence geeft op het toneel. [2]
Verwante begrippen

Gangbaarheid

85 % van de Nederlanders;
92 % van de Vlamingen.[3]

Verwijzingen


Frans

Uitspraak
enkelvoud meervoud
zonder lidwoord met lidwoord zonder lidwoord met lidwoord
  présence     la présence     présences     les présences  

Zelfstandig naamwoord

présence v

  1. aanwezigheid