claim

Uit WikiWoordenboek
Ga naar: navigatie, zoeken

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • claim
Woordherkomst en -opbouw
enkelvoud meervoud
naamwoord claim claims
verkleinwoord claimpje claimpjes

Zelfstandig naamwoord

claim m

  1. (juridisch) aanspraak op vergoeding van schade
    • De gemeente acht zich niet schuldig en wijst claims af. 
  2. (juridisch) recht op bepaald stuk grond
    • Het land houdt vast aan zijn claim op het eiland. 
  3. beweren dat een bepaalde stelling waar is
Hyponiemen
Afgeleide begrippen
Vertalingen

Werkwoord

vervoeging van
claimen

claim

  1. eerste persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van claimen
    • Ik claim. 
  2. gebiedende wijs van claimen
    • Claim! 
  3. (bij inversie) tweede persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van claimen
    • Claim je? 

Gangbaarheid

99 % van de Nederlanders
98 % van de Vlamingen.

Verwijzingen

  1. etymologiebank.nl

Meer informatie