claim

Uit WikiWoordenboek
Ga naar: navigatie, zoeken

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • claim
enkelvoud meervoud
naamwoord claim claims
verkleinwoord

Zelfstandig naamwoord

claim m

  1. aanspraak op vergoeding van schade
    De gemeente acht zich niet schuldig en wijst claims af.
  2. recht op bepaald stuk grond
    Het land houdt vast aan zijn claim op het eiland.

Werkwoord

vervoeging van
claimen

claim

  1. eerste persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van claimen
    Ik claim.
  2. gebiedende wijs van claimen
    Claim!
  3. (bij inversie) tweede persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van claimen
    Claim je?