aanlangen

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • aan·lan·gen
Woordherkomst en -opbouw
stamtijd
onbepaalde
wijs
verleden
tijd
voltooid
deelwoord
aanlangen
langde aan
aangelangd
zwak -d volledig

Werkwoord

aanlangen

  1. ditransitief iemand iets overhandigen dat anders buiten zijn bereik was
    • Een vriendlyk woord, eene teug Bier, het aanlangen van een kooltje Vuurs, om hunne Pyp aan te steeken, eene inschiklykheid voor de Armen, in het verligten der Tolpenningen, en andere geringe beleefdheden, maaken hen zoo erkentlyk, als ik ergens Menschen gevonden heb. [4]
  2. overgankelijk (verouderd) betrekking hebben op, als onderwerp hebben
    • Gevraagd, wat aanlangt in 't zoo ernstig opgevat
      Voor 't Panpoëticon?
       [5]
Synoniemen
Opmerkingen
  • [1] In Nederland vanaf de 19e eeuw verdrongen door de synoniemen.
Afgeleide begrippen


Gangbaarheid

Verwijzingen