aanbidster

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Jump to search

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • aan·bid·ster
Woordherkomst en -opbouw
enkelvoud meervoud
naamwoord aanbidster aanbidsters
verkleinwoord aanbidstertje aanbidstertjes

Zelfstandig naamwoord

aanbidster v [1]

  1. (religie) vereerster van een goddelijk wezen
  2. (persoon) een vrouwelijk verliefd persoon, die een ander het hof maakt
    • De rijke vrijgezel had vele aanbidsters, maar wilde niets van ze weten. 
Vertalingen

Gangbaarheid

100 % van de Nederlanders
99 % van de Vlamingen.

Meer informatie

Verwijzingen


Afrikaans

enkelvoud meervoud
naamwoord aanbidster aanbidsters

Zelfstandig naamwoord

aanbidster

  1. aanbidster