duw
Uit WikiWoordenboek
Inhoud |
Nederlands
Uitspraak
Woordafbreking
- duw
| enkelvoud | meervoud | |
|---|---|---|
| naamwoord | duw | duwen |
| verkleinwoord | duwtje | duwtjes |
Zelfstandig naamwoord
duw m
- een zet, een stoot
- Hij gaf de auto een harde duw, zodat die weer op de weg kwam.
Afgeleide begrippen
Verwante begrippen
Vertalingen
1. een zet, een stoot
Werkwoord
| vervoeging van |
|---|
| duwen |
duw