duw

Uit WikiWoordenboek
Ga naar: navigatie, zoeken

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • duw
enkelvoud meervoud
naamwoord duw duwen
verkleinwoord duwtje duwtjes

Zelfstandig naamwoord

duw m

  1. een zet, een stoot
    Hij gaf de auto een harde duw, zodat die weer op de weg kwam.
Afgeleide begrippen
Verwante begrippen
Vertalingen

Werkwoord

vervoeging van
duwen

duw

  1. eerste persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van duwen
    Ik duw.
  2. gebiedende wijs van duwen
    Duw!
  3. (bij inversie) tweede persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van duwen
    Duw je?