beseffen

Uit WikiWoordenboek
Ga naar: navigatie, zoeken

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • be·sef·fen
stamtijd
onbepaalde
wijs
verleden
tijd
voltooid
deelwoord
beseffen
besefte
beseft
zwak -t volledig

Werkwoord

beseffen

  1. (overgankelijk) het reëel bewust worden van iets, zich realiseren
    Henk besefte dat hij moest lopen toen de laatste trein voor zijn neus wegreed.
Synoniemen
Vertalingen


Middelnederlands

stamtijd
onbepaalde
wijs
verleden tijd voltooid
deelwoord
enkelvoud meervoud
beseffen besief
besoef
besieven beseven
klasse 6

klasse 7

volledig  

Werkwoord

beseffen

  1. beseffen
  2. proeven, smaken, genieten
    «Dyne goetheit hebbic wel beceven
    Je goedheid heb ik wel genoten.
  3. meemaken, ervaren
    «Dat hi cume in al sijn leven eenege siecheit heeft beseven
    Dat hij nauwelijks in zijn hele leven enige ziekte heeft ervaren.
Opmerkingen
  • Historisch hoort het werkwoord in de zesde klasse.