weet

Uit WikiWoordenboek
Ga naar: navigatie, zoeken

Inhoud

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • weet
enkelvoud meervoud
naamwoord weet
verkleinwoord weetje

Zelfstandig naamwoord

weet v/m

  1. de daad van het weten, wetenschap, kennis
    Ik dat wel aan de weet komen.
    Hij weet zijn weetje wel.
  2. arch.: een mededeling, aankondiging
    Hij is met eene openbare weet aan de stadpoorten ingedaagd. Arch. (1811) [1].

Werkwoord

vervoeging van
weten

weet

  1. enkelvoud tegenwoordige tijd van weten
  2. gebiedende wijs van weten
Anagrammen
Verwijzingen
  1. Nederduitsch taalkundig woordenboek. P. Weiland 1807-1811


Fries

enkelvoud meervoud
weet -

Zelfstandig naamwoord

weet g

  1. (graan) tarwe


Limburgs

Uitspraak
  • IPA: /weːt/ (Etsbergs)

Persoonlijk voornaamwoord

weet

  1. (zeldzaam en in ongebruik) nominatief tweevoud van ich
Persoonlijke instellingen
Naamruimten

Varianten
Handelingen
Navigatie
Informatie
Zusterprojecten
Hulpmiddelen
In andere talen