stal
Uit WikiWoordenboek
Inhoud |
Nederlands
Uitspraak
Woordafbreking
- stal
| enkelvoud | meervoud | |
|---|---|---|
| naamwoord | stal | stallen |
| verkleinwoord | stalletje | stalletjes |
Zelfstandig naamwoord
stal m
- (veeteelt) ruimte bestemd voor de huisvesting van dier(en)
- Ze helpt mee met het uitmesten van de stallen.
- (sport)een (handels-)onderneming die deelneemt aan wedstrijden met paarden, auto’s en dergelijke
- In internationale concoursen zijn de springpaarden uit zijn stal zeer succesvol.
- (verouderd) marktkraam
- (economie) verkoopruimte bij openbare gelegenheden zoals stations, ziekenhuizen en dergelijke
- Ik zal wel een bos bloemen kopen bij het stalletje op de brug.
Synoniemen
- [2] renstal
Hyponiemen
- [1] koeienstal, paardenstal
- [4] bloemenstal, boekenstal, kiosk
Afgeleide begrippen
- [1] staldeur, stalhouder, stalhouderij, stallen, stalgeld, stalgeur, stalknecht, stallen, stalmeester, stalmoed, kerststal
Uitdrukkingen en gezegden
Iets op stal zetten
- Iets afdanken
Iets van stal halen
- Iets inzetten
Het beste paard van de stal
- De beste (van een team e.d.)
Het paard ruikt de stal
- Iemand wil graag naar huis.
Vertalingen
1. ruimte bestemd voor de huisvesting van dier(en)
Meer informatie
- Zie Wikipedia voor meer informatie.
Werkwoord
| vervoeging van |
|---|
| stelen |
stal
- enkelvoud verleden tijd van stelen
- Ik stal.
- Jij stal.
- Hij, zij, het stal.
- Ik stal.
Werkwoord
| vervoeging van |
|---|
| stallen |
stal