verpanden
Uit WikiWoordenboek
Inhoud |
Nederlands
Uitspraak
Woordafbreking
- ver·pan·den
| stamtijd | ||
|---|---|---|
| onbepaalde wijs |
verleden tijd |
voltooid deelwoord |
| verpanden /vər'pɑndə(n)/ |
verpandde /vər'pɑndə/ |
verpand /vər'pɑnt/ |
| zwak -d | volledig | |
Werkwoord
verpanden
- (overgankelijk) als basis voor een lening uit handen geven
- Zij moest er haar stradivarius voor verpanden.
- (overgankelijk) sterk gehecht zijn aan
- Hij heeft aan Amsterdam zijn hart verpand.
Vertalingen
1.