manica

Uit WikiWoordenboek
Ga naar: navigatie, zoeken

Italiaans

Uitspraak
  • IPA: /ˈmaː.ni.ka/
Woordafbreking
  • ma·ni·ca
Woordherkomst en -opbouw
enkelvoud meervoud
manica maniche

Zelfstandig naamwoord

manica v

  1. (kleding) mouw
  2. bende, zootje, troep
  3. (techniek) slang
Synoniemen
Afgeleide begrippen
Verwante begrippen
Uitdrukkingen en gezegden

essere in maniche di camicia

  • in hemdsmouwen zijn

rimboccarsi / tirarsi su le maniche

  • de mouwen opstropen, de handen uit de mouwen steken

essere di manica larga / stretta

  • toegeeflijk / bekrompen zijn

È un'altro paio di maniche.

  • Dat is andere koek. Dat is een ander paar mouwen.

avere l'asso / un asso nelle maniche

  • iets achter de hand houden


Latijn

Uitspraak
  • IPA: /ˈma.nɪ.ka/
Woordafbreking
  • ma·ni·ca
Woordherkomst en -opbouw
  • Afgeleid van manus (hand) met het achtervoegsel -ica.

Zelfstandig naamwoord

mănĭca v

  1. (kleding) mouw (de lange mouw van een tuniek)
  2. (meervoud) handboeien
  3. (meervoud) enterhaak
Verbuiging